Als je bij de Sociale Dienst moet plassen heb je een probleem. Het is me eens overkomen. Je moet de aandrang melden bij een baliemedewerker, die meteen naar de microfoon grijpt. Via de intercom roept hij luid en duidelijk de Sleutelbewaarder op, indien nodig twee keer.
Hij moet van ver komen, zigzaggend langs de vacaturepalen met zijn grote lijf. Aan de riem van het beveiligingskostuum hangt een knuppel. Zijn sleutels rammelen onheilspellend aan de ring.
Hij pikt me er feilloos uit. Na een korte groet volgt een moment van aarzeling. Loop ik alvast naar de deur toe of laat ik me de weg wijzen? Hij gaat voor, worstelend om de fijne Lips sleutel te scheiden van de andere. Hij heeft geleerd neutraal te kijken, maar stiekem schat hij van iedereen in of het gaat om een grote of een kleine en hoe lang de leniging zal duren. Met een zekere omzichtigheid en ernst, alsof wij een sacrale ruimte betreden, maakt hij de deur van het toilet open. Een buiging ook nog. Dank u.

Ik ben alleen. Omgeven door een onnatuurlijk blauw licht, zodat je de ader niet kunt vinden. Net nu ik van plan was mezelf helemaal plat te spuiten. Ik ga zitten op de pot en kijk om me heen. Het closetpapier hangt aan een houtje in een uitgeholde tegel. Geen standaard met reserverollen, geen kastje voor serviettes hygiéniques. Er is hier niets dat agressief van de wand gerukt kan worden of waarmee iemand zichzelf opzettelijk iets zou kunnen aandoen. Alles is steriel. Deze deur heeft geen slot, wat een zekere rust geeft, maar toch ook een gevoel van openbaarheid.
Hij wacht op me. Het is zijn taak. Misschien heeft hij een absoluut gehoor. En als hij zelf nou moet?
Ik weet mij verbonden in een opgelegde symbiose met deze man, aan de andere kant van de deur, die plichtsgetrouw binnen een straal van twee meter loopt te ijsberen, totdat ik ben ontlast. Ik sta strak als een hinde op het punt van vluchten, met het slipje ternauwernood omlaag. Dit alles is natuurlijk niet erg bevorderlijk voor het verloop.
Nummer 15 wordt omgeroepen. Ik ben nummer 16. Nu moet het er toch echt van komen. Keihard denk ik aan lieflijk stromende beekjes in een nog niet door massatoerisme bedorven landschap. Het lukt, maar niet van harte.
De spiegel boven de wasbak toont het gezicht van afhankelijkheid en isolement.
Ik ga de deur door.
Hij had de sleutel nog paraat. Een plof. De Sleutelbewaarder sluit af.
‘Dank u.’
‘Tot uw dienst.’
Alsof er nooit iets tussen ons is geweest.
Met opgeheven hoofd loop ik naar mijn stoel, mijlenver weg, en benijd de behoeftigen niet.
Een volle blaas en bijstand zijn onverenigbaar. Maar als ’t moet, dan moet ‘t.

© 2021 Gabriëlle Berning / All Rights Reserved.