Mijn erwtensoep is de beste van het land! Al vanaf het moment dat ik van het consultatiebureau een groentehapje mocht, ben ik gevoed met het groene goud. Elke zaterdag stond het te dampen op de keukentafel.
De erwtensoep werd volgens een heilig recept bereid door mijn vader. Om vroeg te kunnen starten, kocht hij alvast op vrijdag de benodigde ingrediënten: prei, knolselderij, ui, wortel, bladselderij, aardappel, speklap, doorregen gerookt spek, hamlap, rookworst, een varkensoor of een staart, spliterwten en hele erwten, die een nacht moesten weken.
Het was een arbeidsintensief proces. Bij zonsopgang zeulde hij de reusachtige pan naar de schuur en plantte hem op het petroleumstelletje, een erfstuk dat na veel generaties eindelijk een dankbare ontvanger had getroffen.
Mijn moeder vond het ding te gevaarlijk om binnen te gebruiken. De draaiknoppen van de pitten werkten allang niet meer traploos, maar schoksgewijs. Daardoor was het instellen van de vlam een hele klus. Vaak floepte de lont terug in de gleuf en stond mijn vader erboven te briesen.

Niemand mocht aan de pan komen. De soep moest absoluut trekken op de laagste stand. Laag en lang trekken was het geheim. Nadat de aardappel was geprakt en weer toegevoegd, liep hij vaker op en neer om te roeren. Op het laatst gingen er nog een paar runderbouillonblokken in, alleen van Maggi, die zelfs verkruimeld nauwelijks wisten te assimileren met de dichte structuur van het brouwsel.
De stekels aan de staart vond ik nooit zo lekker, maar je kon er moeilijk omheen eten. Zij haakten zich verdomd vinnig in je tandvlees vast. Om de centimeter kwam er een konisch botje dat, eenmaal tussen tong en voortanden naar buiten gegoocheld en op de rand van het bord gelegd, prompt terug rolde en zonder te zinken precies bleef liggen waar het was geland. Langs de rand van de groene cirkel schitterde een geel halo van rundvet. Het was flink ploegen.
De vrouw prees haar man.
De moeder prees haar zoon.
De dochter prees haar vader.
Ja, hij was haast nog lekkerder dan vorige week.
Het was een feest als hij ons tot zich riep. Op zaterdagmiddag rond noen.

Het keerpunt kwam vijf dagen na mijn zevende verjaardag, toen ik moest stoppen met fietsen en mijn maag minstens 500 cc loosde op de voet van de Heilige Joseph aan de Tromplaan.
De zware soep moest wijken. Speciaal voor mij kwam er een tweede pan op tafel. Met lichte bouillon. Oma gluurde steeds vaker naar mijn bord. Het zat er gewoon aan te komen: het hartverscheurende moment dat zij uit de verkeerde pan schepte. Moeder volgde. Toch was hun erbarmen sterker dan hun spijsvertering. In een stilzwijgend compromis wisselden zij wekelijks de soepen af.
Ondanks de tanende klandizie handhaafde mijn vader de gebruikelijke quota. Er bleef steeds meer over. Dat ging de koelkast in voor onverwachte visite, als tussendoortje, meegevertje en voor de poes. Zo had hij erwtensoep tot woensdag, waarna op zaterdag de hele cyclus opnieuw begon.
Ik houd de traditie in ere, zij het staartloos en minder frequent, maar de smaak is nog net zo subliem als vroeger.
Mijn erwtensoep is de beste van het land! Op die van mijn vader na, dan.

© 2021 Gabriëlle Berning / All Rights Reserved.