Zeg maar Fred

juni 2016/Echte Vaklui

Sinds de verbouwing heeft het museum professionele beveiligingsmensen in dienst. Terwijl ik een paar foto’s maak van een tot vogel omgetoverde kalebas, komt zo’n reus nadrukkelijk naast mij staan.
F: ‘Mevrouw, ik moet u erop wijzen dat u hier niet mag fotograferen.’
G: ‘Oh, sorry, ik dacht dat het zonder flits wel mocht.’
F: ‘Nee. Het mag niet. Niet met flits en niet zonder flits.’
G: ‘Dan zal ik hem meteen opbergen.’
F: ‘Dat hoeft nu ook weer niet. Als u het maar met mate doet.’
G: ‘Nee, dat zit me dan toch niet lekker. Geen foto’s is geen foto’s.’
Na wat geklungel met de rits stop ik de camera snel in de tas, tot grote tevredenheid van de beveiligingsbeambte.
F: ‘Dát noem ik nou respect! Ik zal u vertellen, ik werk hier nog maar net. In het begin dacht ik: waar ben ik in godsnaam in terecht gekomen? Vrouwen met gaten in de oren en van die lange lellen met kurken erin.

Maar ik ben erover gaan lezen. Die kurken zijn voor de koelte. Kom er maar eens op! Het is een hele andere cultuur.
Hier is het maar luxe, hoor. Na de bevalling meteen een half jaar vakantie, terwijl ze daarginds een dag later alweer met kind en al boven de put hangen.’
G: ‘Ja, dat is zwaar.’
F: ‘Gisteren hadden we een groep padvinders. Zitten ze zich rot te lachen over het menstruatiehuis, dat vrouwen daar naartoe moeten als ze…’
G: ‘Onrein zijn?’
F: ‘Ja, dat ook. Dus ik zeg: ‘Denken jullie er maar eens heel goed over na, wat dat wel niet betekent, dat ze elke maand naar een aparte hut moeten. Zegt zo’n meid: ‘Die vrouwen zijn zeker de slaaf van hun man.’
Je moet ze aan het denken zetten. De besnijdenis is ook al zowat. Ben ik zwaar op tegen.’
G: ‘Ja, ik ook wel.’
F: ‘Laatst zaten hier een paar van die snotapen aan de kunst. ‘Willen jullie daar weleens met je tengels vanaf blijven,’ zei ik, maar dan netter, al denk je het wel zo. Komt die vader op me af, of ik me niet met de opvoeding van zijn kinderen wil bemoeien. Er is toch ook nergens geen respect meer!’
G: ‘Dat is wel wat pessimistisch!’
F: ‘Nou, ik zit al dertig jaar in de beveiliging en het is nog nooit zo erg geweest als de laatste vijf jaar. Maar ú doet meteen het fototoestel weg. Dan krijgt u het van mij ook terug. U mag tegen mij gerust jij zeggen en Fred.’
G: ‘Ik zal het onthouden.’
F: ‘Ik ben getrouwd met een Indonesische vrouw. Heel wat anders dan hoe ze hier zijn. Die hebben tenminste nog respect, zoals voor mij dan. Daarom heb ik het ook gedaan, ben ik heel eerlijk in. Soms weet je het niet.
Laatst had ik een Afrikaan, die wat wilde vragen. Geen Nederlands, half Engels en gebarentaal. Wat moet zo’n man hier? Toen kwam ie er later op het erf nog meer tegen. Nou, dan leven ze helemaal op, hoor! En praten en lachen, druk doen. Kunnen ze dan niet beter… nou ja.’

Twee museumgangers komen vrolijk kwekkend de zaal binnen. Hij staat meteen paraat en peilt de situatie: ver genoeg van het beeld, geen zware voorwerpen, handtasjes, grijze haren. Geen gevaar.

Dan buigt hij zich naar me toe, tot vlak bij mijn oor. Ik zie hoe een straaltje zweet langs zijn slaap loopt, totdat het stokt bij zijn vieruurstoppels.
F: ‘Weet u wat ook niks is? Die kerels hebben daar minstens drie vrouwen! Nu vind ik dat vanuit mijn optiek nog wel wat [schuins lachje], maar het klopt van geen kanten.
U weet toch wel waarom de punten van hun [maakt met beide handen een optillend gebaar ter hoogte van zijn buik] helemaal hier hangen? Dat is alles wat ze hebben. Die mensen hebben daar gewoon helemaal niks. Maar wij weten evengoed niet wat er van onze kinderen moet worden. Waar laat je ze op los? Er is nergens meer respect.’
Hij kijkt me aan met iets van verwachting in zijn blik.
Nu moet ik heel snel komen met een voorbeeld van gebrek aan respect, misschien mag goed fatsoen ook. Koortsachtig denk ik na en kan mezelf wel slaan, dat ik niks beters kan bedenken.
G: ‘Men staat niet zo snel meer op in de bus, hè?’
F: ‘Dat u nou net daarover begint. Ik zit met mijn zoon in de trein. Komt er een oud vrouwtje binnen van diep in de tachtig. Met stok. Dus mijn zoon staat op en zegt: ‘Gaat u hier maar zitten, mevrouw.’ Kijkt ze sjaggerijnig naar zijn stoel. Zegt ze: ‘Ik hoef die plaats van jou niet!’ Oud wijf. Waar hebben we het dan nog over?’
G: ‘Misschien voelde ze zich nog jong!’
F: ‘Nou, eerst waren we goed pissig, maar later konden we er wel om lachen.’
Hij wuift naar een collega verderop. Ik maak gebruik van de luwte.
G: ‘Zeg, ik ga weer eens verder. Er is nog zoveel te bekijken. Nog een prettige dag!’
F: ‘U ook.’
G: ‘Dag, Fred.’
F: ‘Dag, mevrouw.’
Ik loop terug naar mijn kalebas. Fred posteert zich weer tussen de spijkerbeelden en animistische etnografica, alles belicht volgens de nieuwste inzichten.

© 2021 Gabriëlle Berning / All Rights Reserved.