DE KOFFIECEREMONIE

Uit het deel: Woonvorm

In de woonvorm is het niet toegestaan dat bezoekers tappen uit de drank-machine. Ik geef niet veel om het schuimende bocht, maar in het licht van hersenschade en alle daarmee samenhangende problematiek lust ik wel een slokje. Eens per week op dinsdag lap ik de regels aan mijn laars. Het dient een zeker therapeutisch doel, toch niet ongebruikelijk in een zorginstelling.

Ik klop bij hem aan. Eerst hoor ik gemompel, dan bonkende geluiden en een piep. De deur schuift open.
Mijn binnenkomst is altijd wat penibel. Het kan zomaar gebeuren dat hij al boos wordt bij de eerste aanblik en van alles gaat spuien dat niet past in een nette tekst over koffie. Maar vandaag valt het mee.
Na een kus leg ik snel de tassen met kunstboeken in de kamer ernaast. Niet teveel tegelijk.
Ik vraag hoe het is en ga zitten.
Vervolgens spelen wij overtuigend het stuk Stel in de knel.
‘Ik snák gewoon naar een kop koffie,’ begin ik.
‘Zal ik even wat gaan halen?’ oppert hij.
‘Nou, omdat je zo aandringt,’ is dan mijn tekst.
Hij rolt naar de keuken om een beker te pakken en draait zich om:
‘Ik kan er niet bij.’
‘Wacht, ik pak hem wel even.’
Op weg naar de deur geef ik nog wat handige tips. Ik zeg dat hij moet proberen neutraal te kijken.

Misschien komt hij op de gang iemand van de begeleiding tegen. Het kan ook zijn dat ze allemaal zitten te pauzeren in de zaal waar de drankmachine staat.
Hij zou zoiets kunnen zeggen als: Zo, even een lekker bakkie leut halen voor mezelf of: Bij mijn vrouw steekt de tosti nog dwars in de keel, dus zij hoeft momenteel geen koffie, maar ik wel.’
Dan is het zaak in een normaal tempo weg te rollen, te snel is verdacht.
‘Geef die beker nou!’
Hij vraagt welke smaak ik ook alweer wil.
‘Cappuccino, toch?’
‘Blèh, slootwater!’
‘Oh ja, er is een nieuw apparaat. Die cappuccino is niet goed.’
‘Het apparaat is er al heel lang, hoor.’
‘Wat wil je dan?’
Ik denk aan het straaltje bruin, dat altijd pas gaat lopen als de eerste droesem al is uitgegoten, net op het moment dat je de kop wilt wegtrekken.
‘Graag koffiechoc,’ zeg ik gretig.
Is de kust veilig?
Resoluut rolt hij weg.

Het ritueel biedt hem de kans te wennen aan mijn aanwezigheid, maar andersom geldt dat ook. Terwijl hij weg is, leg ik mezelf een beetje stil om te voorkomen dat hij straks wordt overspoeld door een grote kakelstroom van nieuwtjes. Ook is weleens een driftbui afgewend, doordat ik net op tijd vroeg:
‘Je gaat vandaag zeker geen koffie voor me halen?’
Ik geloof dat hij het wel leuk vindt iets voor mij te doen en ik vind het wel leuk dat hij iets voor mij doet. Ik leg de kunstboeken goed in het zicht op tafel. Klaar voor de volgende acte.
Hij komt binnen met de volle beker, daarbij houdt hij zijn goede arm alvast naar mij uitgestrekt. De koffiechoc scheert akelig dicht langs de haken van de kapstok. Nog twee meter en ik mag mij laven aan de beste westerse vinding ooit.
‘Lekker, dankjewel,’ zeg ik. ‘Net wat ik nodig had! Ging goed, onderweg?’
‘Ja, ging goed.’
Ik steek mijn duim op.
Hij grijnst.
In het geheim van de samenzwering weten wij ons even verbonden.
Tot het doek weer valt. En de lampen doven.

© 2021 Gabriëlle Berning / All Rights Reserved.