WEER GEZAKT

Uit het deel: Revalidatiekliniek

Mijn rijbewijs is een zwaarbevochten kaartje. Pas na tachtig lessen was ik agressief genoeg om ‘m op links ertussen te proppen. Zelfs voor het theorie-examen zakte ik de eerste keer door een, althans volgens mijn instructeur, te filosofische benadering van de syntactisch vaak gammele vragen.
U wilt gaan rijden met uw halfzijdig verlamde echtgenoot, die op zijn negenenveertigste een zware hersenbloeding kreeg.
Mag dat?
Geen zin, dus, in de eerste rolstoelrijles. Niet geslapen. Rebellie!
Dat hele gedoe is iets van de kliniek, niet van ons. Meedoen staat gelijk aan toegeven dat het kreng bij ons leven hoort. Toch is ontkennen dom. Je hebt er niets aan om voor de eerste de beste stoeprand te stranden; daarom moet er geoefend worden.
Het terrein lijkt er zeer geschikt voor, zo bovenop een heuvel met een stijgingspercentage van minstens 10% en allerlei bloedlinke haarspeldbochten. Welke malloot heeft ooit bedacht hier een revalidatiekliniek neer te zetten voor mensen die niet of nauwelijks kunnen klimmen? Waanzin!
In het aan de voet van deze heuvel gelegen restaurant ‘Eten bij tante Kaatje’ ­­­­­­­­­­– met zo’n naam en ligging hoeft het niemand te verbazen dat in onbewaakte momenten weleens een rolstoeler met hersenletsel en een sterke vluchtdrang via de openstaande schuifpui van de keuken zijn reservering komt annuleren – ligt het noodnummer van afdeling F1 naast de telefoon.
Goed, de rijles. Ik wist niet dat die er ook was voor begeleiders, maar misschien heeft iemand ons een keer zien karren en alarm geslagen. Afhandelen en weg is de stemming.

NAH manuscript draaideur weer gezakt

Verwachtingsvol staan zij bij de hoofdingang, de man van mijn leven en de vrouw die mijn lowrider heeft goedgekeurd. Mijn vriendelijkheid moet van ver komen.
‘Goedemorgen!’ kirt ze akelig vrolijk. ‘Zullen we meteen beginnen? Rijd u eerst maar eens even een stukje binnen.’
Ik grijp de handvatten en zigzag rakelings langs alle aandoeningen naar de achteruitgang.
‘Stop!’ roept de ergotherapeute. ‘U gaat te hard!’
Mijn invalide zit te schudden van de pret.
‘Zo loop ik altijd,’ protesteer ik. ‘Is het slecht voor hem?’
‘Nee, voor ú is het slecht. U kunt beter niet zijn gewicht in dat tempo duwen. De kans is groot dat u daar klachten van krijgt.’
Dat zullen we nog weleens zien dan. Ik knikker het hele ding zo het kanaal over. Wat weet zij nou van mijn kracht en zwakte!
Buiten wacht een parcours met de meest voorkomende hindernissen uit het echte leven: scheve tegel, stoeprand, lapje oneffen terrein, lastige helling, meewarige blikken… Aan alles is gedacht.
De scheve tegel is geen partij. Die schop ik gewoon van het pad af. De ergotherapeute raapt de stukken op en begint te lachen, zij het niet zo onbedaarlijk als hersenbloedingman, want bij die mensen heb je dat ongeremde niet alleen bij boosheid; het werkt evengoed de andere kant op. Ik word er alleen maar kwaaier van.
Vóór ons op de baan worstelt iemand met twee krukken en een half been. Moven, ouwe!
Ergo leidt ons geduldig langs de problemen, waarbij zij nauwkeurig let op mijn houding en tactvol alle knelpunten benoemt.
Ik dender door naar de stoeprand. Grote stappen, snel thuis.
Bijna gaat het mis en daar is ie dan: de ingreep. Kennelijk kun je beter achterwaarts een stoeprand af gaan, dus eerst omdraaien, dan zachtjes laten rollen en tegenhouden met je lichaam. Zij doet het met veel vaardigheid voor. Ineens begrijp ik het nut van die malle kleine wieltjes, waarover ik telkens struikel. De kliniek heeft echt een goede aan die vrouw. Je gooit er een muntje in en er rolt meteen een oplossing uit.
Om het tempo aan te geven, gaat ze naast me lopen. Ik kuier braaf mee, plots overvallen door een loodzware vermoeidheid.
De strook oneffen terrein met keien en rul zand lijkt me een kwestie van even flink ploegen, maar ook dat is verkeerd, want slecht voor de banden. Wat kunnen mij die banden nou bommen!
‘U moet om de obstakels héén.’
Met beleid, zeker. Het klinkt quasi bestraffend. Ik besluit gas terug te nemen. Ze bedoelt het goed en het is aardig dat men ook aan de familie denkt.
Op de lastige helling doe ik extra mijn best. Ik houd met gestrekte armen de rolstoel voor mij, zodat hij al een heel eind boven is en ik alleen nog maar wat extra kracht hoef te zetten tot de top. Dat is dus helemaal fout, fouter dan fout zelfs, het dieptepunt van al mijn verrichtingen, want op die manier komt er volgens ergo onverant-woord veel druk op mijn rug te staan. Ik heb het niet eens aan mijn rug.
De lastige helling terug hoeft niet meer. Zij vindt het genoeg zo. De man voor wie dit hele circus is opgezet, lijkt totaal afgepeigerd, terwijl zijn duwer al het werk moest doen.
Ik vraag maar niet of ik geslaagd ben. Ze zegt dat het nog moet wennen.
‘Mag ik hier gedag zeggen? Anders kom ik te laat op school om de kinderen op te halen.’
‘Prima, ik breng hem wel terug naar de afdeling.’
‘Bedankt!’
‘Graag gedaan.’

Bij de bouwput voor de kliniek eten twee bouwvakkers een boterham uit hun handschoen. Boven mijn hoofd wiegt een enorm blok beton. Ik zoek even steun bij een paaltje.

© 2021 Gabriëlle Berning / All Rights Reserved.