Op de terugweg van school klampte de moeder van S. mij aan: ‘De billen van mijn man zijn aan het slinken.’
Het kwam eruit zonder gêne of enig spoor van spijt.
Ik vroeg haar wat duidelijker te zijn: ‘Verzakken zijn billen? Vertonen zij misschien onverklaarbare deuken? Is er sprake van algehele slapte?’
‘Nee. Ze slinken. Precies zoals ik het zeg. Er blijft niks over.’
Ik probeerde ze voor me te zien.
Slinkende billen… kerend tij. Zoals bij eb het vliedende water al wat niet levensvatbaar is, uitbraakt op het kille zand. Snevende sterren, manke krabben en blubbeestjes, genadeloos overgeleverd aan gretige kinderhanden.
Nee. Ik kreeg er geen vat op.
Billen die slinken… oliebollen. Taai deeg met alle krenten aan één kant. Zuigend de pan in. Van boven wit. Van onderen bruin. Een lillend ongaar staartje. De scherpe vork prikt spuiters. En de lucht trekt overal in.
Gesponnen suiker, dan. Twee suikerspinnen. Zo kort maar vol en dartel op de stok. Bij nattigheid krimpen zij ineen als kroost voor een kwade vader.

Arme vrouw. Ze was nog niet klaar:
‘Het valt me op dat hij zo iel is tussen de andere mannen op het schoolplein. Zij hebben altijd wel ergens iets breeds.’
Ik gaf het maar toe: ‘Klopt. Soms loopt hij voor me en dan denk ik: het lijken wel stokken in die broek. Maar de toestand erboven kan ik natuurlijk niet inschatten. Je hebt er anders wel lang wat aan, hoor. Magere mannen worden oud.’
‘Ja,’ zei ze dankbaar, ‘en er is altijd nog van voren.’
‘Precies! Je draait ‘m gewoon steeds de goeie kant op. Die van mij heeft trouwens wel flinke kadetten en nog denkvermogen ook,’ pochte ik.
‘Ik geloof je meteen. Maar hij kan nog geen band plakken. En hersens houden de wereldbevolking niet op peil.’
Er stak een briesje op. Peinzend liepen we verder, langs de huizen in aanbouw. Drie bouwvakkers staakten even hun werk en floten naar ons. Stelletje seksisten!

© 2021 Gabriëlle Berning / All Rights Reserved.