Witje is wit. Haar rug is langwerpig. Zij steunt op de buik en legt de voorpoten recht naast elkaar, als bij Dürer. Uit de bolle uiteinden van de tenen steken pinnetjes. Haar vacht is wollig, niet harig. Twee grote lappen huid, groeiend vanuit hoge jukbeenderen, sieren de kop. Haar schedel wijkt sterk, waardoor de ogen a-symmetrisch lijken. Die ogen zijn mooi! Diep bruin en vol ontroering. De kleine neus gaat op en neer, als een zelfstandig werkende spier. Wanneer hij erg omhoog gaat, komt het roze lipje mee en krijg je de tanden te zien. Deze zijn groot en klaarblijkelijk scherp. Op haar wangen groeit pluis.
Witje eet grijze staafjes, gevierendeelde winterwortel, gras en harde boterhammen. Elke dag krijgt ze vers water in de zuigfles, waarvan de uiterste punt net haar bek kan bereiken.
Ze bromt als ze me ziet. Ik leg dat positief uit.
Graag zou ik haar even uit dat hok willen halen en eens lekker laten rennen, maar ik weet niet hoe haar te hanteren. Daarom praten we alleen wat. Zij aan haar kant van de tralies, ik aan de mijne.

De levensduur van de soort is beperkt. Dat is een risico.
Haar vrouwtje vertelde dat de kinderen niet bijzonder aan Witje gehecht zijn. In de handleiding staat met rode stift:
kan bijten.

© 2021 Gabriëlle Berning / All Rights Reserved.